Industrie en werk – waar verdienden Deurnenaren hun brood?

Deurne was van oorsprong een echte agrarische gemeente. Boeren waren afhankelijk van wat de schrale zandgrond opleverde. Een rijke oogst betekende voedsel op tafel, maar als de opbrengst tegenviel, waren de gevolgen direct merkbaar en werd er vaak honger geleden.

Boerenbedrijf: leven van de zandgrond

De meeste boeren hadden een gemengd bedrijf. Ze bewerkten een paar hectare grond en hielden enkele koeien, varkens en kippen. De koeien gaven melk, maar werden vaak ook ingezet om de ploeg of de kar te trekken. In 1885 telde Deurne zelfs nog 71 trekossen en 25 trekkoeien die hiervoor werden gebruikt.
Het vee had nog een andere belangrijke functie: het leverde mest. Op de schrale zandgrond was goede bemesting onmisbaar om de grond vruchtbaar te maken. Mest was zo waardevol dat mesthopen door de notaris werden verkocht aan de hoogste bieder.
De meeste boeren waren eigenaar van hun bedrijf, maar er waren ook pachtboerderijen. De grond was dan eigendom van rijke families die vaak buiten Deurne woonden. Eén keer per jaar kwamen zij de pacht ophalen. De bekenste verpachters met meerdere boerderijen in Deurne waren de families De Smeth en De Maurissens.

Weven als inkomen

Naast het boerenbedrijf waren er in Deurne ook veel huiswevers. In gezinnen met veel kinderen kon niet iedereen de boerderij van de ouders overnemen. Zij verdienden daarom vaak hun geld met weven aan huis. Textielhandelaren brachten vlas en linnen naar Deurne. Thuis werden daarvan stoffen geweven, die de handelaren vervolgens weer meenamen om te verkopen. Vooral handelaren uit Haarlem waren actief in de Peelstreek.
Deurne kende ook eigen textielfabriekanten. De familie Van de Mortel startte in 1772 in het centrum van Deurne een damast- en pellenweverij. Pellen is een fijn geweven linnen met een eenvoudig geblokt patroon. Het werd gebruikt voor onder andere tafelkleden, handdoeken en zakdoeken. Rond 1855 werkten er meer dan twintig mannen en enkele vrouwen. De fabriek bleef meer dan honderd jaar bestaan.

Brouwerijen en de stenenindustrie

Ook bierbrouwerijen zorgden voor werkgelegenheid. Deurne telde verschillende brouwerijen, zoals De Zon aan de Derpsestraat, De Pelikaan aan de Helmondseweg, De Bierton op de plek van het huidige gemeentehuis, Het Anker op Vreekwijk, De Kievith in Vlierden en De Haas in Liessel.
Een andere belangrijke bron van werkgelegenheid waren de steenfabrikanten, vooral in de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de vorige eeuw. Dat had alles te maken met de grond onder Deurne. In de bodem van Deurne zaten leemlagen: kleiafzettingen van de Maas die geschikt waren voor het maken van bakstenen. Samen met turf uit de Peel en later steenkool leverde dit de grondstoffen voor de steenfabrieken op Vreekwijk en bij het station.

De gemeente als grootste werkgever

Toch was jarenlang niet een fabriek, maar de gemeente Deurne zelf de grootste werkgever. Net als de Maatschappij Helenaveen ging ook de gemeente turf en turfstrooisel uit de Peel verkopen. Daarvoor waren grote groepen peelwerkers en veenarbeiders in dienst. 
Turfstrooisel werd veel gebruikt als bodembedekking in paardenstallen in grote steden. De vraag hiernaar was enorm. Alleen al in Parijs waren rond 1900 ongeveer 17.500 paarden. De verkoop van turfstrooisel leverde de gemeente daarom veel geld op. Deurne werd daardoor ook wel 'het miljoenenparadijs' genoemd. Het monumentale gemeentehuis aan de Markt, gebouwd in 1895, herinnert nog altijd aan die welvarende periode.

Nieuwe kansen op de Peel

Nadat delen van de Peel waren afgegraven, werden de gronden geschikt gemaakt voor landbouw. Ook werden gemeentelijke pachthoeven gesticht. Dat leverde opnieuw veel werk op. In crisistijd werden deze werkzaamheden ingezet als werkverschaffing voor mensen die hun baan in de fabrieken waren kwijtgeraakt.

Volgende maand belichten we opnieuw een bijzonder onderwerp uit onze rijke geschiedenis.